ECLI:NL:RBDHA:2017:15695

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 december 2017
Publicatiedatum
11 januari 2018
Zaaknummer
09/767199-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 513 Wetboek van StrafvorderingArt. 515 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter-commissaris wegens onvoldoende gronden en misbruik van procesrecht

Verzoekster, gedetineerd en verdacht van stalking en bedreiging, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris die haar had gehoord bij de vordering tot inbewaringstelling. Het verzoek werd behandeld door de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag op 6 december 2017, waarbij verzoekster werd vertegenwoordigd door haar raadsman. De rechter-commissaris en de officier van justitie waren niet aanwezig.

Verzoekster stelde dat zij enorme tegenwerking ervaart en vreesde dat de rechter-commissaris had overlegd met een eerder gewraakte collega en het dossier onvoldoende had bestudeerd. De wrakingskamer oordeelde dat de gronden die pas ter zitting werden aangevoerd niet ontvankelijk waren wegens te late indiening. De overige gronden waren onvoldoende onderbouwd, aangezien een algemene stelling van tegenwerking niet volstaat.

De wrakingskamer wees het verzoek af en stelde dat het indienen van een wrakingsverzoek zonder gegronde redenen, kort na een eerdere wraking, misbruik van procesrecht vormt. Daarom werd een wrakingsverbod opgelegd voor toekomstige verzoeken in deze strafzaak. De zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Wrakingsverzoek afgewezen en wrakingsverbod opgelegd wegens onvoldoende onderbouwing en misbruik van procesrecht.

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2017/58
zaak-/rekestnummer: C/09/543803/ KG RK 17/1959
parketnummer: 09/767199-17 / RC-nummer 17/2754
datum beschikking: 6 december 2017
BESLISSING
op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van Pro het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:
[verzoekster]
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
ten tijde van de behandeling van het verzoek gedetineerd,
verzoekster,
raadsman: mr. H.F. van Kregten;
strekkende tot wraking van:
mr. M. Dam,
rechter-commissaris in de rechtbank Den Haag.
Belanghebbende in deze procedure is de officier van justitie mr. V.E. Broeders, hierna ook te noemen: de officier van justitie.

1.De voorgeschiedenis en het procesverloop

De officier van justitie heeft in de strafzaak met bovenvermeld parketnummer op 24 november 2017 een vordering strekkende tot inbewaringstelling van verzoekster ingediend op grond van de verdenking van stalking en bedreiging. Verzoekster is in verband daarmee op diezelfde datum voor de rechter-commissaris geleid.
Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte op de vordering tot inbewaringstelling, de door de rechter-commissaris gegeven beschikking houdende inbewaringstelling van verzoeker van 24 november 2017, en de door de rechter-commissaris gegeven toelichting in haar reactie op het wrakingsverzoek van 27 november 2017, van welke stukken de inhoud voor zover hier van belang niet is weersproken, valt het volgende af te leiden. De rechter-commissaris heeft verzoekster gehoord op de vordering tot inbewaringstelling. Gedurende het gehoor heeft verzoekster kenbaar gemaakt de rechter-commissaris te wraken.

2.De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 6 december 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster is vertegenwoordigd door haar raadsman. Het wrakingsverzoek is door de raadsman toegelicht. De rechter commissaris is niet verschenen. De officier van justitie is evenmin verschenen.

3.Het standpunt van verzoekster

3.1.
Aan het wrakingsverzoek is – naar de wrakingskamer uit het proces-verbaal begrijpt – ten grondslag gelegd dat verzoekster een enorme tegenwerking ziet.
3.2.
Ter zitting heeft de raadsman hieraan nog toegevoegd dat bij verzoekster de vrees bestaat dat de rechter-commissaris heeft overlegd met haar eerder gewraakte collega en dat de rechter-commissaris het dossier, gelet op de korte tijd tussen de eerste wraking en de voorgeleiding bij de tweede rechter-commissaris, onvoldoende heeft kunnen bestuderen.

4.Het standpunt van mr. Dam

De rechter-commissaris berust niet in de wraking. Zij is van oordeel dat zij met haar handelen geen blijk gegeven heeft en ook geen schijn gewekt heeft van vooringenomenheid. Ter onderbouwing hiervan verwijst de rechter-commissaris naar het proces-verbaal van de voorgeleiding.

5.De beoordeling

5.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3.
De eerst ter zitting door de raadsman aangevoerde gronden, zijn naar het oordeel van de wrakingskamer te laat aangevoerd. In zoverre is het verzoek niet-ontvankelijk.
5.4.
Voor zover het verzoek ontvankelijk is, is het verzoek niet onderbouwd. De enkele stelling dat verzoekster “een enorme tegenwerking ervaart”, is daartoe niet toereikend.
Het verzoek wordt daarom afgewezen.
5.5.
In de omstandigheid dat verzoekster een wraking zonder enige grond doet, terwijl zij kort daarvoor ook een collega rechter-commissaris heeft gewraakt, ziet de wrakingskamer misbruik van procesrecht. Daarom zal de wrakingskamer bepalen dat een volgend wrakingsverzoek in deze strafzaak niet in behandeling zal worden genomen.

6.De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk voor zover het is gegrond op de in 3.2 genoemde gronden;
-wijst het verzoek tot wraking voor het overige af;
- bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling wordt genomen;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515 van Pro het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster p/a haar raadsman mr. H.F. van Krechten;
• de officier van justitie mr. V.E. Broeders;
• de rechter-commissaris mr. M. Dam.
Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. Verbeek, O. van den Burg en K.M. Braun, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Bijvank als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2017.