Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2017 in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]
thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, kreeg een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking 'voortgezet verblijf'. Verweerder trok deze vergunning in met terugwerkende kracht wegens verblijf langer dan zes maanden buiten Nederland, wat volgens beleid duidt op verplaatsing van het hoofdverblijf. Eiser verbleef in 2012-2013 langer dan zes maanden in Marokko vanwege dakloosheid, gokverslaving en gezondheidsproblemen, maar stelde dat zijn hoofdverblijf in Nederland bleef.
De rechtbank oordeelt dat verweerder zich niet redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat eiser zijn hoofdverblijf had verplaatst. Eiser had geen oogmerk om Nederland te verlaten, was nadien weer ingeschreven in de BRP en had tijdig verlenging aangevraagd. Ook waren er geen zwaarwegende belangen die de intrekking met terugwerkende kracht rechtvaardigden.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit tot intrekking en het besluit tot afwijzing van de aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Verweerder moet de proceskosten en griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de aanvraag voor de EU-verblijfsvergunning dient opnieuw te worden beoordeeld.