Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2017 in de zaak tussen
[eiser 1] , geboren op [1994] , eiser/verzoeker 1, [eiser 2] , geboren op [1995] eiser/verzoeker 2, [eiseres] , geboren op [1996] , eiseres/verzoekster, [eiser 3] , geboren op [1997] , eiser/verzoeker 3, allen van Amerikaanse nationaliteit, eisers/verzoekers
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geconcludeerd dat verweerder het gedrag van de moeder van doorslaggevend belang mag vinden. In die zin wijkt de situatie af van het arrest van het EHRM, Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09. Uit dit arrest kan echter wel worden afgeleid dat in een situatie zoals deze, waarin de belangenafweging in eerste instantie niet leidt tot toelating, tot slot nog gekeken moet worden of er sprake is van ‘exceptional circumstances’ die maken dat op grond van artikel 8 van Pro het EVRM toch moet worden overgegaan tot verlening van een verblijfsvergunning ter bescherming van het privéleven. De rechtbank heeft geconcludeerd dat verweerder in het bestreden besluit 1 niet voldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval geen sprake is van ‘exceptional circumstances’. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen en dat heeft geleid tot het bestreden besluit 2, dat een aanvulling is op het bestreden besluit 1.
Echter van eisers mag in beginsel worden verwacht dat zij vrijwillig samen met hun moeder naar een andere land vertrekken om daar het gezinsleven en privéleven uit te oefenen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten 1 en 2;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.237,50.