ECLI:NL:RBDHA:2017:15060
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk risico op schending artikel 3 EVRM in Afghanistan
Eiser, een Afghaanse staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door verweerder werd afgewezen op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank hield een zitting waarin eiser zijn asielrelaas toelichtte, waaronder een incident waarbij hij werd beschuldigd van betrokkenheid bij een bomaanslag en discriminatie vanwege zijn etnische en religieuze achtergrond.
Verweerder achtte de beschuldiging van betrokkenheid bij de bomaanslag niet geloofwaardig en vond de discriminatie onvoldoende zwaarwegend om asiel te verlenen. Eiser voerde aan dat hij onterecht werd beschuldigd en verwees naar recente rapporten van Amnesty International en Vluchtelingenwerk Nederland over de verslechterde veiligheidssituatie in Afghanistan.
De rechtbank oordeelde dat de beroepsgronden grotendeels een herhaling waren van de zienswijze waarop verweerder gemotiveerd had gereageerd. Er was geen nieuwe onderbouwing waarom die weerlegging onjuist zou zijn. De rechtbank concludeerde dat op basis van jurisprudentie van het EHRM en de Raad van State geen sprake is van een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter A.K. Mireku op 11 december 2017.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.