Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
de periodevan 8 oktober 2013 tot en met
01 januari 2017te
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van verduistering van €23.212,62 die was gedoneerd voor een reddingsactie van de pier te Scheveningen. De officier van justitie vorderde een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De verdachte ontkende en stelde dat het geld na twee jaar met rente zou worden terugbetaald en dat hij er in de tussentijd over mocht beschikken.
Tijdens het onderzoek bleek dat het dossier veel onbeantwoorde vragen bevatte en het politieonderzoek beperkt was. De rechtbank kon niet vaststellen dat verdachte daadwerkelijk beheerder was van de rekening waarop de donaties werden gestort, noch dat hij het geld wederrechtelijk had toegeëigend. Ook was niet duidelijk wat de afspraken over het geld waren.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestond om verdachte te veroordelen voor verduistering of oplichting. De verdachte werd daarom vrijgesproken. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verduistering en oplichting wegens onvoldoende bewijs.