ECLI:NL:RBDHA:2017:14592
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid seksuele gerichtheid
Eiseres, van Ugandese nationaliteit, diende op 29 augustus 2017 een asielaanvraag in met het motief dat zij homoseksueel is en daardoor problemen ondervindt in haar land van herkomst. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af op grond van artikel 31, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij de seksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig werden geacht.
De rechtbank stelde vast dat het onderzoek naar de seksuele gerichtheid van eiseres conform de werkinstructie WI 2015/9 was uitgevoerd. Hoewel het moeilijk is seksuele gerichtheid met sluitend bewijs aan te tonen, moet de asielzoeker wel voldoende inzicht geven in het bewustwordings- en acceptatieproces van die gerichtheid, zeker in een homofobe samenleving zoals Uganda.
Eiseres gaf echter slechts oppervlakkige verklaringen over haar bewustwording en acceptatie van haar seksuele geaardheid en over haar langdurige relatie met een vriendin. Ook haar gedrag na het betrapt worden op de kostschool en haar vluchtverhaal werden als ongeloofwaardig beoordeeld. De rechtbank oordeelde daarom dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij vanwege haar seksuele gerichtheid in Uganda problemen ondervindt.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid is ongegrond verklaard.