ECLI:NL:RBDHA:2017:14548
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling ongegrond verklaard
De eiser, een vreemdeling met de Surinaamse nationaliteit, was sinds 1 juli 2017 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank had eerder op 25 oktober 2017 vastgesteld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was. In dit beroep stond alleen de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel na dat moment centraal. De eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering was en dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelde, mede omdat de Surinaamse autoriteiten niet meewerkten en hij pas na vrijlating een paspoort kon aanvragen.
De rechtbank oordeelde dat uit de voortgangsrapportage en het dossier bleek dat de staatssecretaris actief werkte aan verwijdering, onder meer door persoonlijke presentatie bij de Surinaamse vertegenwoordiging en het voeren van vertrekgesprekken. De stelling dat de Surinaamse autoriteiten niet meewerkten, werd wegens gebrek aan onderbouwing verworpen. Ook het betoog dat het tijdsverloop de maatregel onevenredig bezwarend maakte, werd afgewezen, mede omdat de eiser geen actie had ondernomen om zijn vertrek te bespoedigen en hij niet in aanmerking kwam voor een lichter middel.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.