ECLI:NL:RBDHA:2017:14220
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Beslissing over voorwaardelijke invrijheidstelling na overdracht gevangenisstraf Curaçao naar Nederland
Eiser is in Curaçao veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan de tenuitvoerlegging op 1 december 2016 begon. Hij verzocht om overdracht van de uitvoering van zijn straf naar Nederland, wat op 11 april 2017 werd toegewezen. Volgens de Curaçaose regelgeving komt hij in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling na het ondergaan van twee derde van zijn straf, dus per 26 november 2017.
Eiser stelde dat de Nederlandse regelgeving, die een langere detentieperiode vereist (minimaal 12 maanden plus een derde van de restantperiode), onterecht werd toegepast door de Nederlandse autoriteiten, waardoor zijn vrijlating onnodig werd uitgesteld tot 26 januari 2018. Hij vorderde dat de Staat de voorwaardelijke invrijheidstelling per 26 november 2017 zou effectueren.
De rechtbank overwoog dat op grond van de Onderlinge regeling tussen de landen binnen het Koninkrijk na overdracht de regelgeving van het aangezochte land (Curaçao) geldt, zonder ruimte voor afwijking in individuele gevallen. De Staat handelde daarom niet onrechtmatig door de Curaçaose regelgeving te volgen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de eerdere communicatie geen bindende toezegging inhield.
De voorzieningenrechter wees de vordering af en veroordeelde eiser in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken op 21 november 2017 door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en bevestigt dat de Curaçaose regelgeving geldt voor de voorwaardelijke invrijheidstelling na overdracht van de strafuitvoering.