ECLI:NL:RBDHA:2017:13767
Rechtbank Den Haag
- Rekestprocedure
- C.I.H. Kersten-Fockens
- M.A.J. van de Kar
- F.W. van Dongen
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens disproportionele plaatsing verdachte in Pieter Baan Centrum
De rechtbank Den Haag behandelde een beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris om verdachte ter observatie over te plaatsen naar het Pieter Baan Centrum (PBC). De rechter-commissaris had dit bevolen op grond van artikel 196 Wetboek Pro van Strafvordering, vanwege de noodzaak een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte te verrichten, waarbij verdachte niet wilde meewerken buiten het PBC.
De raadsman betoogde dat het onderzoek niet proportioneel was gezien de geringe ernst van de feiten en het ontbreken van ernstige bezwaren. De officier van justitie stelde dat er aanwijzingen voor een stoornis waren en dat observatie noodzakelijk was vanwege gevaar voor de samenleving.
De rechtbank oordeelde dat formeel aan de voorwaarden van artikel 196 Sv Pro was voldaan, maar dat de proportionaliteit van de plaatsing in het PBC tegen de ernst van de feiten moest worden afgewogen. Gezien de geringe ernst van de feiten en het feit dat geen TBS met voorwaarden werd geëist, vond de rechtbank de maatregel disproportioneel.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde de beschikking van de rechter-commissaris en wees de vordering tot plaatsing in het PBC af.
Uitkomst: Het beroep tegen de plaatsing in het Pieter Baan Centrum is gegrond verklaard en de vordering tot plaatsing is afgewezen wegens disproportionaliteit.