Uitspraak
VOORZIENINGENRECHTER VAN DE Rechtbank Den Haag
uitspraak van 14 november 2017 in de zaak tussen
[persoon A],
geboren op [geboortedatum] 1996,
Rechtbank Den Haag
Verzoekers, een gezin van Afghaanse nationaliteit met minderjarige kinderen, hebben een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM Pro aangevraagd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Na ongegrondverklaring van hun bezwaren zijn zij in beroep gegaan en hebben zij tevens een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers een spoedeisend belang hebben omdat de staatssecretaris voornemens was hen op 15 november 2017 over te dragen aan de Italiaanse autoriteiten. Gezien de onomkeerbare gevolgen van uitzetting, de samenstelling van het gezin met minderjarige kinderen en het feit dat de beroepsprocedures spoedig worden behandeld, weegt het belang van verzoekers om de uitspraak in Nederland af te wachten zwaarder dan het belang van de staatssecretaris bij onmiddellijke uitzetting.
Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen, waardoor uitzetting wordt verboden totdat de beroepsprocedures zijn afgerond. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van verzoekers.
Uitkomst: De uitzetting van verzoekers wordt verboden totdat de beroepsprocedures zijn afgerond.