ECLI:NL:RBDHA:2017:13524

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 november 2017
Publicatiedatum
21 november 2017
Zaaknummer
NL17.10992
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig relaas en onvoldoende onderbouwing

Eiseres, een Pakistaanse christin, diende een asielaanvraag in na bedreigingen en geweld vanwege haar geloof en vermeende bekering van een collega. Zij baseerde haar aanvraag op incidenten waaronder een fatwa en geweld op school.

De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid, met name omdat eiseres het bestaan van de door haar genoemde school niet aannemelijk kon maken. In beroep overhandigde eiseres aanvullende documenten, waaronder originele stukken, foto's en een vertaling van de fatwa.

De Immigratie- en Naturalisatiedienst kon de echtheid van deze documenten echter niet bevestigen door gebrek aan vergelijkingsmateriaal. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht het asielrelaas ongeloofwaardig vond, mede vanwege tegenstrijdigheden en summiere verklaringen over de collega die centraal staat in het verhaal.

De rechtbank concludeerde dat eiseres niet voldeed aan de samenwerkingsplicht, maar dat dit niet leidde tot onrechtmatigheid van het besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard vanwege een ongeloofwaardig relaas en onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.10992

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. A.A. Agayev),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

ProcesverloopEiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 oktober 2017 (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen T.J. Houssain. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is van Pakistaanse nationaliteit, is christen en is geboren op [geboortedatum]. Eiseres is op 21 juni 2017 met een door verweerder op 16 mei 2017 afgegeven machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van studie Nederland ingereisd. Eiseres heeft vervolgens op 9 augustus 2017 een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Zij werkte als lerares op [school] in [plaats]. Zij kreeg in april 2017 contact met een nieuwe collega ([collega]: hierna [collega]) en sprak met haar over het christendom. Uiteindelijk ging [collega] met eiseres mee naar de kerk op 21 mei 2017. Bij het verlaten van de kerk werden zij gezien. De volgende dag werd eiseres op school geschopt en geslagen door vier mannen en twee vrouwen. Eiseres wordt beschuldigd van het bekeren van haar collega [collega] en het beledigen van de profeet Mohammed. Er is in juni 2017 een fatwa tegen eiseres uitgesproken.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Verweerder acht het asielrelaas van eiseres niet geloofwaardig. Verweerder heeft aan dit standpunt onder meer ten grondslag gelegd dat eiseres het bestaan van een [school], gevestigd aan [adres] in [plaats], niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder verwezen naar een bijlage die betrekking heeft op de scholen in [plaats]. De door eiseres overgelegde documenten geven verweerder geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen.
4. Eiseres betwist het standpunt van verweerder. In beroep heeft eiseres de originelen van haar eerder ingebrachte documenten overgelegd, leesbare foto’s van de [school], een vertaling van de fatwa, en een brief van [advocate], Advocate High Court waaruit volgens eiseres zou blijken dat tegen haar een aanklacht is ingediend op verdenking van blasfemie.
5. Verweerder heeft onderzoek laten verrichten naar de door eiseres in beroep overgelegde documenten door het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: Bureau Documenten). Op 8 november 2017 heeft Bureau Documenten een verklaring van onderzoek uitgebracht, dat ter zitting is besproken. Blijkens deze verklaring van onderzoek kan geen oordeel over de echtheid van de ingebrachte documenten worden gegeven wegens het ontbreken van voldoende vergelijkingsmateriaal.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. De rechtbank volgt ten eerste niet de stelling van eiseres dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres in strijd heeft gehandeld met de in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en in verweerders Werkinstructie 2014/10 neergelegde samenwerkingsplicht. De door eiseres ter staving van haar relaas overgelegde documenten zijn immers door verweerder onderzocht.
7. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het asielrelaas van eiseres niet geloofwaardig is.
Aan dit standpunt heeft verweerder terecht, onder verwijzing naar een bijlage met een lijst van scholen in [plaats], ten eerste ten grondslag gelegd dat eiseres niet aannemelijk heeft weten te maken dat er een [school] is gevestigd aan [adres] in [plaats]. Aan de door eiseres overgelegde lijst van scholen heeft verweerder wegens het ontbreken van de bron van deze lijst, geen waarde hoeven hechten. Voorts is niet in geschil dat de naam van de school op de lijst van eiseres niet overeenkomt met de naam die eiseres in haar verklaringen heeft genoemd. Verweerder heeft voorts, gelet op de uitkomst van de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 8 november 2017, terecht gesteld dat de door eiseres overgelegde verklaringen van de [school] van 5 oktober 2017 evenmin kunnen dienen ter onderbouwing van haar asielrelaas. Verweerder heeft verder terecht overwogen dat uit de door eiseres overgelegde foto’s niet kan worden afgeleid dat de vastgelegde school juist die school is waarover eiseres spreekt. Daarnaast heeft verweerder terecht vreemd bevonden dat in de verklaring van de school van 5 oktober 2017 wordt gesproken over een doodsbedreiging aan eiseres, terwijl eiseres daar niet over heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bovendien gemotiveerd overwogen dat eiseres erg summier over haar vriendin [collega] heeft verklaard, terwijl zij de hoofdrolspeler is in haar asielrelaas. Tot slot heeft verweerder, onder verwijzing naar de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten, zich terecht op het standpunt gesteld dat de in beroep overgelegde documenten niet tot een ander standpunt kunnen leiden.
8. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel