ECLI:NL:RBDHA:2017:13503

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 oktober 2017
Publicatiedatum
21 november 2017
Zaaknummer
NL17.9830
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit Dublinverordening en inhoudelijke behandeling asielaanvraag minderjarige Syrische vrouw

Eiseres, een minderjarige Syrische vrouw, diende op 15 maart 2017 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk zou zijn, gezien de aanwezigheid van haar broers daar, conform artikel 8, eerste lid, van de Dublinverordening. Nederland had een verzoek tot overname gedaan, dat door het Verenigd Koninkrijk op 4 juli 2017 werd aanvaard.

De rechtbank oordeelt dat het Verenigd Koninkrijk alleen verantwoordelijk kan zijn indien dit in het belang van eiseres is. De situatie van eiseres vertoont grote gelijkenis met een eerdere zaak waarin het belang van de minderjarige werd afgewogen aan de hand van een deskundigenadvies van Nidos. Dit advies hield rekening met meerdere belangen, waaronder de wens van eiseres, de situatie van haar ouders in Syrië, en de zorg die zij in Nederland ontvangt.

Verweerder had onvoldoende gemotiveerd afgeweken van het advies van Nidos en kon niet overtuigend aantonen dat het belang van eiseres beter gediend was met behandeling in het Verenigd Koninkrijk. Bovendien ondersteunden de broers van eiseres haar wens om in Nederland te blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op om binnen vier weken de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen. Tevens worden de proceskosten aan eiseres toegewezen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.9830
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en
de minister van Veiligheid en Justitie,voorheen: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. S.F.E. Verdonck).

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 15 maart 2017 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.9831, plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Shikh Salo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [familielid], familielid van eiseres en J. van der Zijden, jeugdbeschermer van het Nidos te Breda.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk op 19 oktober 2017 uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk in behandeling te nemen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiseres is van Syrische nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum].
3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij het Verenigd Koninkrijk een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 8, eerste lid, van de Dublinverordening omdat de broers van eiseres wettig verblijf hebben in het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd Koninkrijk heeft dit verzoek op 4 juli 2017 aanvaard.
4. De rechtbank stelt voorop dat het Verenigd Koninkrijk alleen dan verantwoordelijk is op grond van artikel 8, eerste lid, van de Dublinverordening, als dat in het belang van eiseres is. De rechtbank overweegt verder dat de situatie van eiseres grote gelijkenis vertoont met de situatie van de minderjarige die beoordeeld is in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 23 december 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:5126). Ook in die zaak was sprake een uitdrukkelijke wens van een minderjarig meisje van 15 jaar om in Nederland te blijven, alsmede van een duidelijk standpunt van Nidos, een deskundigenadvies, dat haar belang het meest ermee gediend was dat haar asielverzoek in Nederland in behandeling werd genomen. In die zaak is verweerder zonder voldoende motivering aan het standpunt van de voogd voorbijgegaan.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is dat ook in de zaak van eiseres het geval.
De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder ter zitting dat uit de rapportage van het Nidos van 7 september 2017 zou volgen dat alleen rekening is gehouden met de wens van eiseres om in Nederland te verblijven. Nidos heeft naar het oordeel van de rechtbank bij de beoordeling van het belang van eiseres meerdere aspecten in ogenschouw genomen, zoals de wens van haar ouders in Syrië, de gewenste continuïteit van een stabiele leefomgeving voor haar verdere ontwikkeling, en de zorg voor haar die door haar familie in Nederland wordt gegeven. De rechtbank is van oordeel dat het Nidos bij uitstek deskundig is om de belangen van de minderjarige te beoordelen, zodat aan die beoordeling zwaar gewicht moet worden toegekend. Verweerder heeft tegen het standpunt van Nidos niets wezenlijks ingebracht, behalve de stelling dat het belang van eiseres het meest ermee gediend is met behandeling van haar asielverzoek door het Verenigd Koninkrijk omdat haar broers daar wettig verblijven. De broers hebben echter kort voor de zitting per brief laten weten dat zij de wens van eiseres om in Nederland te blijven ondersteunen.
6. De rechtbank stelt tot slot vast dat verweerder bij het claimverzoek aan het Verenigd Koninkrijk alleen heeft vermeld dat de broers van eiseres daar verblijven en dat eiseres liever in Nederland wil blijven. Het Verenigd Koninkrijk heeft ten tijde van het claimakkoord van 4 juli 2017 derhalve geen kennis gehad van het nadien uitgebracht advies van Nidos.
7. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat Nederland de verantwoordelijke lidstaat is voor eiseres. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 8, eerste lid, van de Dublinverordening. De rechtbank draagt verweerder op om binnen vier weken de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk in behandeling te nemen.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2017.
griffier
Rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.