ECLI:NL:RBDHA:2017:13501
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig relaas en onvoldoende artikel 8 EVRM-bescherming
Eiser, een Iraanse nationaliteit, diende op 10 augustus 2017 een opvolgende asielaanvraag in nadat een eerdere aanvraag niet in behandeling was genomen wegens de Dublinverordening. De minister van Veiligheid en Justitie wees de aanvraag af op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingwet 2000, waarbij de identiteit en herkomst van eiser wel geloofwaardig werden geacht, maar zijn verklaringen over een feest tijdens de Muharram en zijn bekering tot het christendom niet.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet langer vasthield aan zijn bekering en dat de verklaringen over het feest niet geloofwaardig waren vanwege tegenstrijdigheden en het ontbreken van bewijsstukken. Tevens werd vastgesteld dat de minister de gestelde afvalligheid had beoordeeld en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer in Iran vervolging of ernstige schade zou ondervinden.
Daarnaast werd de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM Pro afgewezen. Hoewel de rechtbank erkende dat er sprake was van gezinsleven met zijn Nederlandse echtgenote, was de relatie van korte duur en woog het belang van de staat zwaarder. Eiser had bovendien geen rechtmatig verblijf gehad en was ondergedoken om Dublin-overdracht te voorkomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de asielaanvraag af wegens ongeloofwaardig relaas en onvoldoende grond voor verblijf op basis van artikel 8 EVRM.