ECLI:NL:RBDHA:2017:13495
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid asielrelaas en onvoldoende bewijs afvalligheid
Eiser, een Iraakse nationaliteit, diende op 26 augustus 2015 een aanvraag in voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat hij vanwege een geheime relatie met een vrouw en de daaruit voortvloeiende problemen, waaronder een conflict met een imam die zijn dood eiste, bescherming nodig had. Verweerder wees de aanvraag af omdat het asielrelaas grotendeels ongeloofwaardig werd geacht.
Tijdens de zitting op 12 oktober 2017 werd vastgesteld dat eiser tegenstrijdige verklaringen had afgelegd over de beweegredenen om zijn relatie geheim te houden, de duur van de relatie, en zijn kennis van de imam. Ook was zijn verklaring over de rol van zijn vader en het risico op vervolging wegens afvalligheid onvoldoende onderbouwd en niet geloofwaardig.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag had afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas.