ECLI:NL:RBDHA:2017:13285
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, een Somalische nationaliteit bezittende persoon, diende op 18 juli 2017 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Veiligheid en Justitie besloot op 5 oktober 2017 de aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat een overnameverzoek was ingediend bij Frankrijk en deze laatste de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag had aanvaard.
Eiser voerde in beroep aan dat hij vanwege zijn leeftijd en medische aandoeningen, waaronder suikerziekte en hoge bloeddruk, verzorging nodig heeft van zijn in Nederland woonachtige zoon en dat de humanitaire aspecten onvoldoende waren meegewogen. Hij deed een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende bijzondere, individuele omstandigheden had aangetoond die een overdracht aan Frankrijk onevenredig hard zouden maken. De medische problemen waren niet nader onderbouwd en de minister had geen reden gezien de asielaanvraag alsnog in behandeling te nemen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.