ECLI:NL:RBDHA:2017:13002
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking afgeleide verblijfsvergunning na intrekking verblijfsvergunning moeder zonder schending EVRM
Eiseres, van Afghaanse nationaliteit, kreeg in 2013 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van een afgeleide verblijfsvergunning van haar moeder. De moeder’s verblijfsvergunning werd in 2016 met terugwerkende kracht ingetrokken, waardoor de grond voor de verblijfsvergunning van eiseres kwam te vervallen. De staatssecretaris trok daarop de verblijfsvergunning van eiseres in.
Eiseres voerde aan dat de intrekking van de verblijfsvergunning van haar moeder onterecht was en dat haar eigen vergunning daarom ook niet ingetrokken mocht worden. Tevens stelde zij dat onterecht werd aangenomen dat zij geen zelfstandige asielmotieven had en dat niet was onderzocht of andere gronden voor toelating bestonden.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking van de moeder terecht was en dat eiseres terecht een afgeleide vergunning had gekregen. Omdat eiseres had afgezien van een zelfstandige asielprocedure, was het niet nodig andere gronden te onderzoeken. De vrees voor bedreiging was onvoldoende concreet onderbouwd en er was geen sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Afghanistan.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de afgeleide verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.