ECLI:NL:RBDHA:2017:13001
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking afgeleide verblijfsvergunning na intrekking verblijfsvergunning moeder zonder schending EVRM
Eiseres, van Afghaanse nationaliteit, kreeg in 2013 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, afgeleid van de verblijfsvergunning van haar moeder. Deze moederlijke vergunning werd met terugwerkende kracht per 28 september 2015 ingetrokken. Verweerder trok daarop ook de vergunning van eiseres in omdat de grond voor verlening was vervallen.
Eiseres voerde aan dat de intrekking van de vergunning van haar moeder onterecht was en dat haar eigen vergunning daarom ook niet ingetrokken mocht worden. Tevens stelde zij dat onterecht werd aangenomen dat zij geen zelfstandige asielprocedure had doorlopen en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar persoonlijke situatie en de veiligheidsrisico’s in Afghanistan.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking van de moederlijke vergunning terecht was, zoals bevestigd in een aparte procedure. Hierdoor was de grond voor de afgeleide vergunning van eiseres komen te vervallen en was de intrekking daarvan rechtsgeldig. De rechtbank vond geen aanwijzingen voor een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Afghanistan. De vrees voor bedreiging was onvoldoende concreet onderbouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de afgeleide verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.