ECLI:NL:RBDHA:2017:12858
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor verblijf bij familie in Nigeria
Eisers hebben een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij familie in Nederland te verblijven. De aanvraag werd afgewezen door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, die oordeelde dat niet was aangetoond dat sprake was van een feitelijke gezinsband en dat het gezag van de referent over eisers niet was bewezen.
De rechtbank overwoog dat de geboorteaktes laat en uit Nigeria afkomstig waren, waar documentfraude voorkomt, waardoor deze documenten onvoldoende betrouwbaar waren. Ook werd het asielrelaas van de referent als ongeloofwaardig beoordeeld. Verweerder had daarom terecht geen waarde gehecht aan de stukken en verklaringen.
Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat niet was gebleken van voldoende invulling van het familie- of gezinsleven. Daarnaast was er geen sprake van meer dan normale emotionele banden met betrekking tot een van de eisers. Het verzoek tot horen in bezwaar werd afgewezen omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.