Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2017 in de zaak tussen
[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]
de minister van Buitenlandse zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
21 dagen, voor familiebezoek.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een Iraakse nationaliteit houdende vrouw, vroeg een visum voor kort verblijf aan voor familiebezoek van 21 dagen. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat een andere lidstaat, Zwitserland, bezwaar had gemaakt tegen de afgifte van het visum. Dit bezwaar werd niet aan eiseres bekendgemaakt vanwege diplomatieke overwegingen.
Eiseres voerde aan dat zij niet wist welke lidstaat bezwaar had gemaakt en dat het bezwaar uit 2015 mogelijk niet actueel was. Zij stelde zich ook op het standpunt dat zij in aanmerking kwam voor een territoriaal beperkt visum en dat de weigering een schending van artikel 8 EVRM Pro betekende. Tevens stelde zij dat zij in de bezwaarfase gehoord had moeten worden.
De rechtbank stelde vast dat Zwitserland bezwaar had gemaakt en dat de minister terecht het visum had geweigerd op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode. De rechtbank oordeelde dat de minister niet verplicht was om in te gaan op het bezwaar van de andere lidstaat vanwege diplomatieke betrekkingen. Ook werd het standpunt van eiseres over het territoriaal beperkt visum en het ontbreken van een hoorplicht verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum voor kort verblijf wordt ongegrond verklaard.