Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Guinese nationaliteit, diende op 1 juni 2017 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat hij eerder in Duitsland en Italië asielaanvragen had ingediend met verschillende geboortedata geregistreerd, wat relevant is voor de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn, uitgaande van de Duitse registratie van eisers meerderjarigheid. Eiser stelde dat hij minderjarig is en verwees naar de Italiaanse registratie en het feit dat Italië de Duitse Dublinclaim had afgewezen vanwege zijn minderjarigheid.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de Duitse registratie prevaleert boven de Italiaanse, waardoor onduidelijk is welke geboortedatum leidend is. Daarom is het besluit in strijd met artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening en moet een nieuw besluit worden genomen.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt vernietigd.