ECLI:NL:RBDHA:2017:12448
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Iraakse soennitische moslim wegens onvoldoende persoonlijk gevaar
Eiser, een Iraakse soennitische moslim uit Bagdad, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege de ontvoering van zijn broers door shi’itische milities en bedreigingen persoonlijk gevaar liep. Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de ontvoering van de broers geloofwaardig was, eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hijzelf persoonlijk gevaar liep. Zijn verklaringen over de milities waren vaag en onvoldoende concreet onderbouwd. Ook de bewering dat hij in een andere wijk van Bagdad gevaar liep, was niet overtuigend, mede omdat hij zich baseerde op vermoedens van een oom.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet had aangetoond dat hij vanwege zijn persoonlijke situatie of geloofsovertuiging systematisch werd blootgesteld aan schendingen van artikel 3 EVRM Pro. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het asielverzoek wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte persoonlijke vrees.