ECLI:NL:RBDHA:2017:12391
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- T. Sleeswijk Visser-de Boer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van familieleven conform artikel 8 EVRM Pro. Deze aanvraag is bij besluit van 30 maart 2016 afgewezen en aan verzoeker is een licht inreisverbod van twee jaar opgelegd. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 5 december 2016 kennelijk ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat op dezelfde dag in een andere procedure het beroep van verzoeker ongegrond was verklaard, waardoor niet langer werd voldaan aan het connexiteitsvereiste van artikel 8:81 Awb Pro. Hierdoor was het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond en kon het niet worden ingewilligd. Er waren geen omstandigheden die tot een proceskostenveroordeling leidden.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af zonder zitting en sprak de beslissing in het openbaar uit op uiterlijk 12 oktober 2017. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot weigering van verblijfsvergunning en oplegging van inreisverbod is afgewezen.