Verdachte werd verdacht van drie woninginbraken en heling. Bij een doorzoeking van zijn slaapkamer, uitgevoerd door zijn zus op initiatief van de politie zonder toestemming van verdachte, werden gestolen goederen gevonden. Dit leidde tot een bekennende verklaring van verdachte voor twee inbraken.
De officier van justitie stelde dat er geen sprake was van een vormverzuim en dat het bewijs toelaatbaar was. De verdediging betoogde dat de doorzoeking onrechtmatig was en het bewijs uitgesloten moest worden.
De rechtbank oordeelde dat de doorzoeking zonder toestemming en zonder rechterlijke machtiging plaatsvond, wat een onherstelbaar vormverzuim opleverde. Dit leidde tot bewijsuitsluiting van de gevonden goederen en de daarop gebaseerde bekennende verklaring voor twee feiten.
Het bewijs voor de eerste inbraak was echter onafhankelijk en werd als wettig en overtuigend bewezen verklaard. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 33 dagen en een taakstraf van 100 uur.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de tweede en derde inbraak en de heling, vanwege het ontbreken van wettig bewijs door de bewijsuitsluiting.