Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2017 in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer],
thans de minister van Veiligheid en Justitie,verweerder
Rechtbank Den Haag
Eisers, een gezin met minderjarige kinderen, werden geconfronteerd met een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel verplichtte hen zich te houden aan verblijf in een specifieke gezinslocatie, vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en het gevaar dat zij zich aan uitzetting zouden onttrekken.
Eisers voerden aan dat zij voorafgaand aan de maatregel in een COA-locatie verbleven waar het goed was, dat zij een gezin vormen en dat zij een kansrijke asielaanvraag hebben ingediend, waardoor het risico op onttrekking aan uitzetting niet aannemelijk is. Verweerder stelde dat eisers geen rechtmatig verblijf hebben, nog geen daadwerkelijke asielaanvraag hebben ingediend en dat het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en bestaansmiddelen het risico op onttrekking rechtvaardigt.
De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was de maatregel op te leggen, dat het ontbreken van een daadwerkelijke asielaanvraag en vaste verblijfplaats voldoende gronden zijn, en dat het vooruitlopen op toekomstige asielbeslissingen niet mogelijk is. De rechtbank verwierp de argumenten van eisers en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond en bevestigt de maatregel.