ECLI:NL:RBDHA:2017:11143
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De rechtbank heeft het beroep behandeld van een vreemdeling tegen de voortzetting van zijn maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was eerder reeds getoetst en rechtmatig bevonden tot het moment van het sluiten van het onderzoek waarop die uitspraak was gebaseerd.
De vreemdeling stelde dat de verwijdering onvoldoende voortvarend werd voorbereid en dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestond. Hij verwees naar vertragingen in vertrekgesprekken en het ontbreken van verslagen daarvan. Ook voerde hij aan detentieongeschikt te zijn vanwege psychiatrische klachten. De rechtbank oordeelde dat uit de voortgangsrapportage bleek dat de Angolese autoriteiten een laissez-passer zouden verstrekken en dat een vlucht zo spoedig mogelijk geboekt zou worden na afhandeling van een medisch advies. Ook was er voldoende zorg in het detentiecentrum en ontbraken concrete aanwijzingen die het detentieongeschikt maken onderbouwden.
De rechtbank vond dat de maatregel van bewaring rechtmatig voortduurde, dat verweerder voldoende voortvarend handelde en dat er een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.