Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 2 december 2016;
- de brief van mr. Bokhorst van 12 januari 2017, ter griffie ingekomen op 13 januari 2017.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een verzoek tot benoeming van een opvolgend testamentair bewindvoerder voor het vermogen dat zich in Cyprus bevindt, nagelaten door een overledene die woonachtig was in Cyprus en Londen. De overledene had in haar testament Nederlands recht gekozen voor de afwikkeling van haar nalatenschap. De verzoekster heeft zich tot de Nederlandse kantonrechter gewend, terwijl het vermogen en de belanghebbenden zich in het buitenland bevinden.
De rechtbank overweegt dat op grond van de Europese Erfrechtverordening (Verordening (EU) Nr. 650/2012) de gerechten van de lidstaat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats had op het moment van overlijden bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging. Dit betekent dat de gerechten in Cyprus bevoegd zijn, aangezien de overledene daar woonde. De verzoekster heeft niet aangetoond dat de partijen de Nederlandse rechter bevoegd hebben verklaard.
Daarom verklaart de kantonrechter zich onbevoegd om over het verzoek uitspraak te doen. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om uitspraak te doen over het verzoek tot benoeming van een opvolgend testamentair bewindvoerder voor het vermogen in Cyprus.