ECLI:NL:RBDHA:2017:10104
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring vreemdeling
Verzoeker heeft bij de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een aanvraag gedaan tot opheffing van zijn ongewenstverklaring, welke is afgewezen bij besluiten van 3 augustus 2016 en 17 oktober 2016. Vervolgens verklaarde de staatssecretaris de bezwaren van verzoeker ongegrond in het besluit van 1 december 2016. Verzoeker stelde beroep in tegen dit bestreden besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die uitzetting zou voorkomen totdat op het beroep was beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat op dezelfde dag in een procedure met een ander zaaknummer het beroep van verzoeker ongegrond was verklaard. Hierdoor was niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste van artikel 8:81 Awb Pro, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond was. De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek af te wijzen.
Er waren geen omstandigheden die tot een proceskostenveroordeling leidden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep ongegrond is verklaard en het connexiteitsvereiste niet langer geldt.