Uitspraak
Rechtbank Den HAAG
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 25 mei 2016 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
[de moeder] ,
Procedure
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot teruggeleiding van zijn minderjarige kind naar België, waar het kind met het gezin woonde. De moeder had het kind samen met haar dochters zonder toestemming van de vader naar Nederland gebracht, wat de vader aanvocht op grond van het Haagse Kinderontvoeringsverdrag.
Partijen waren het oneens over de gewone verblijfplaats van het kind. De vader stelde België als vaste woonplaats, waar het gezin sinds december 2015 woonde, terwijl de moeder betoogde dat het verblijf in België tijdelijk was en dat Nederland de gewone verblijfplaats bleef. De rechtbank oordeelde dat het feitelijke verblijf en de intentie van partijen wezen op België als gewone verblijfplaats.
Omdat de moeder zonder toestemming het kind naar Nederland bracht, was sprake van ongeoorloofde overbrenging. De moeder voerde geen weigeringsgronden aan tegen terugkeer. De rechtbank gelastte daarom de onmiddellijke terugkeer van het kind uiterlijk 5 augustus 2016, met de mogelijkheid voor de vader het kind zelf terug te nemen indien de moeder nalaat dit te doen.
Partijen hadden een vaststellingsovereenkomst gesloten in het kader van crossborder mediation, welke in de beschikking kon worden opgenomen. De rechtbank hield verdere beslissing hierover aan tot 1 augustus 2016.
Uitkomst: De rechtbank gelast de terugkeer van de minderjarige naar België uiterlijk 5 augustus 2016 wegens ongeoorloofde overbrenging.