ECLI:NL:RBDHA:2016:8174
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak voormalige bestuurder wegens niet-schending administratieverplichtingen bij faillissement
De zaak betreft een voormalige bestuurder van een rechtspersoon die failliet werd verklaard. De officier van justitie beschuldigde haar van het niet voldoen aan administratie- en bewaarplichten zoals bedoeld in artikel 343, vierde lid, Sr, ter bedrieglijke verkorting van schuldeisers.
Tijdens de zitting verklaarde de verdachte dat zij de administratie over de jaren 2010-2012 had overgedragen aan de opvolgende bestuurder. De rechtbank kon niet uitsluiten dat deze overdracht heeft plaatsgevonden, waardoor niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat zij haar administratieverplichting heeft geschonden in de periode tot haar aftreden als bestuurder.
Voor de periode na haar aftreden rust de bewaarplicht in beginsel op de bestuurder ten tijde van het faillissement, tenzij sprake is van een katvanger. Hoewel de opvolgend bestuurder vermoedelijk een katvanger was, was er geen bewijs dat de verdachte daarvan op de hoogte was of daarbij betrokken was.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van de tenlastelegging. Daarnaast werden de vorderingen van benadeelde partijen tot schadevergoeding afgewezen wegens gebrek aan causaal verband, en werden zij veroordeeld in de kosten van de verdediging van de verdachte.
Uitkomst: De verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor schending van administratie- en bewaarplichten.