ECLI:NL:RBDHA:2016:7592
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging plaatsing in inrichting voor jeugdigen wegens positieve ontwikkeling
De rechtbank Den Haag behandelde op 10 mei 2016 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor een duur van vijf maanden. De maatregel was eerder opgelegd aan de veroordeelde wegens onder meer poging tot diefstal in vereniging met geweld tegen personen.
De rechtbank nam kennis van het advies van de behandelinstelling, waarin werd gesteld dat de veroordeelde aanzienlijke positieve stappen had gezet, zoals het stoppen met middelengebruik, het opbouwen van een stabiele dagbesteding en het tonen van verantwoordelijk gedrag. Tevens werd een scholings- en trainingsprogramma (STP) gestart, met het doel zelfstandigheid te bevorderen. De deskundige lichtte toe dat het STP nog in een beginfase was en dat begeleiding op financieel gebied en zelfstandig wonen nog noodzakelijk was.
De raadsman van de veroordeelde betoogde dat verlenging niet nodig was, omdat het recidiverisico laag was en de maatregel geen meerwaarde meer had. De rechtbank oordeelde dat hoewel een laag risico op recidive aanwezig was, de positieve ontwikkeling van de veroordeelde en de voortzetting van begeleiding binnen een verplicht kader voldoende waarborgen boden. Daarom was verlenging niet in het belang van de algemene veiligheid of de verdere ontwikkeling van de veroordeelde.
De rechtbank wees de vordering tot verlenging van de maatregel af en besloot dat de begeleiding door de reclassering ook na beëindiging van de maatregel zou doorgaan. Hiermee werd een evenwicht gevonden tussen het belang van de samenleving en de persoonlijke ontwikkeling van de veroordeelde.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen af wegens positieve ontwikkeling en laag recidiverisico.