ECLI:NL:RBDHA:2016:7167
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid dreigbrieven en reisdoel
Eiser, een Koerdische Turkse asielzoeker en voormalig vrijwilliger voor een Koerdische politieke partij, diende een asielaanvraag in die door verweerder werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij twee dreigbrieven heeft ontvangen die zijn vrees voor vervolging onderbouwen. Verweerder achtte de verklaringen over de brieven ongeloofwaardig vanwege het ontbreken van concrete details, het niet bewaren van de brieven en het feit dat eiser bijna tien maanden in Turkije bleef na ontvangst.
Daarnaast werd het feit dat eiser eerst naar Mexico reisde voordat hij in Nederland asiel aanvroeg, door verweerder gezien als het achterhouden van relevante informatie. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat dit een negatieve invloed op de beslissing had. Hoewel sprake is van een gebrek in het besluit, kan dit met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro worden gepasseerd omdat de aanvraag ongegrond blijft.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het belang is komen te vervallen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten voor zowel de hoofdzaak als de voorlopige voorziening. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de kennelijk ongegronde afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.