Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het op 6 januari 2016 ingekomen verzoekschrift,
- de brief van de IND van 7 maart 2016,
- de brief van de officier van justitie van 19 april 2016,
- de faxbrief van mr. Bissessur van 20 april 2016.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, die sinds 1992 in Nederland verblijft en aan wie in 1997 het Nederlanderschap bij Koninklijk Besluit is verleend, verzoekt de rechtbank vast te stellen dat hij Nederlander is. De IND had in 2009 het Nederlanderschap vervallen verklaard wegens gebruik van valse personalia. Verzoeker voert aan dat nieuwe feiten zijn ontdekt die aantonen dat geboorteregistraties van kinderen met Pakistaanse afkomst zowel in Engeland als Pakistan plaatsvinden, wat zijn geboortebewijs zou ondersteunen.
De rechtbank overweegt dat verzoeker reeds eerder een soortgelijk verzoek heeft ingediend, dat in 2012 is afgewezen en waarvan het cassatieberoep in 2013 is verworpen. De nieuwe feiten die verzoeker aandraagt zijn onvoldoende onderbouwd en waren deels al in eerdere procedures aan de orde. De rechtbank concludeert dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die tot een ander oordeel leiden.
Ook het aanvullende verzoek om uitstel van uitzetting wordt afgewezen omdat de rechtbank daartoe niet bevoegd is. De rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af en bevestigt daarmee de eerdere beslissingen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.