ECLI:NL:RBDHA:2016:6922

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 mei 2016
Publicatiedatum
21 juni 2016
Zaaknummer
AWB 16/3859
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken onverwijlde spoed bij terugkeer minderjarige vreemdeling

Verzoekster, een minderjarige van Congolese nationaliteit die bij haar pleegmoeder in Nederland verblijft, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op grond van familieleven afgewezen gekregen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Eerder wees de voorzieningenrechter in Rotterdam het verzoek om voorlopige voorziening af wegens het ontbreken van onverwijlde spoed. Het nieuwe verzoek is ingediend omdat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) verzoekster driemaal heeft uitgenodigd voor een gesprek over haar terugkeer.

De voorzieningenrechter oordeelt dat deze uitnodigingen, zonder bewijs, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormen ten opzichte van de eerdere uitspraak. Navraag bij DT&V bevestigt dat er geen concrete uitzettingsdatum is en geen vlucht is aangevraagd. Verzoekster heeft daardoor geen procesbelang bij het herhaalde verzoek.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk en sluit daarmee de voorlopige voorziening uit. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/3859

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 mei 2016 in de zaak tussen

[verzoekster] , geboren op [2000] , van Congolese nationaliteit, verzoekster
(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek).

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel familieleven op grond van artikel 8 EVRM Pro afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 2 februari 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam (AWB 16/331) het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van onverwijlde spoed.
Op 29 februari 2016 heeft verzoekster het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan – onder meer – indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam heeft bij uitspraak van 2 februari 2016, het eerder ingediende verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, omdat er op dat moment geen sprake was van onverwijlde spoed. De voorzieningenrechter heeft op 2 februari 2016 geoordeeld dat niet is gebleken dat en zo ja wanneer verzoekster zal worden uitgezet en dat evenmin is gebleken van andere feiten of omstandigheden die (op dit moment) spoedeisend belang opleveren.
3. Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend omdat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) verzoekster inmiddels driemaal heeft uitgenodigd voor een gesprek over haar terugkeer.
4. Verweerder heeft op 13 mei 2016 meegedeeld dat uit navraag bij DT&V is gebleken dat er op dit moment geen concrete uitzettingsdatum is en dat evenmin een vlucht is aangevraagd in het kader van een voorgenomen verwijdering van verzoekster.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank op
2 februari 2016 reeds heeft geoordeeld over een verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen het primaire besluit. De voorzieningenrechter ziet in de gestelde uitnodigingen van DT&V voor een gesprek over de terugkeer van verzoekster, waarvan geen bewijs is overgelegd, geen aanknopingspunt om te oordelen dat er sinds 2 februari 2016 sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De voorzieningenrechter wijst op de bevestiging van verweerder dat uit navraag bij DT&V is gebleken dat er geen concrete uitzettingsdatum is en dat evenmin een vlucht voor verzoekster is aangevraagd. Verzoekster heeft gezien hetgeen hiervoor is overwogen, geen procesbelang bij het onderhavige (herhaalde) verzoek om een voorlopige voorziening.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.H.M. Druijf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.E. van Wiggen-van der Hoek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2016.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.