ECLI:NL:RBDHA:2016:6623

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juni 2016
Publicatiedatum
14 juni 2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2858
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 7 Unieburgerrichtlijn 2004/38/EGArt. 8.12 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8.16 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling geen rechtmatig verblijf wegens onvoldoende bestaansmiddelen van Poolse Unieburger

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Poolse man die volgens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie niet rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt conform de Unieburgerrichtlijn en het Vreemdelingenbesluit 2000.

Verweerder stelde vast dat eiser een zwervend bestaan leidt, geen vaste woonplaats heeft en meerdere overtredingen pleegde, waaronder diefstallen. Dit vormde voor verweerder aanleiding om te twijfelen aan de toereikendheid van zijn bestaansmiddelen. Eiser voerde aan dat het begrip 'toereikende bestaansmiddelen' niet zo strikt moet worden uitgelegd en dat hij geen beroep doet op het socialebijstandsstelsel, waardoor hij geen onredelijke last vormt.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet voldoet aan de inkomenseis van de Unieburgerrichtlijn omdat hij geen inkomen en geen ziektekostenverzekering heeft. De rechtbank volgt verweerder in de uitleg dat het ontbreken van een uitkering niet het enige criterium is voor onvoldoende bestaansmiddelen. Wel acht de rechtbank het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd omdat verweerder niet is ingegaan op het door eiser aangehaalde standpunt uit de richtsnoeren van de Europese Commissie.

Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 7:12 Awb Pro, maar de rechtsgevolgen blijven in stand op grond van artikel 8:72 Awb Pro. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/2858

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht.
Bij besluit van 4 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2016.
Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft eisers verzoek om vrijstelling van griffierecht bij brief van 8 april 2016 vooralsnog ingewilligd. De rechtbank handhaaft deze voorlopige beslissing.
2. Eiser heeft de Poolse nationaliteit.
3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (Unieburgerrichtlijn). Eiser voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarde van beschikken over voldoende bestaansmiddelen. De politie heeft volgens verweerder specifieke aanwijzingen gehad om te twijfelen of eiser voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf zoals vermeld in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Zo is eiser op Schiphol geregeld aangehouden door de politie en Koninklijke Marechaussee. Eiser heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en leidt een zwervend bestaan in Amsterdam. Door de aard van de overtredingen die eiser maakt en de verklaringen die hij hierover aflegt, is langzamerhand duidelijk geworden dat eiser niet genoeg middelen heeft om van te leven. Deze twijfel wordt bij verweerder versterkt door een aantal misdrijven, waaronder (winkel)diefstallen, die eiser heeft gepleegd.
4.1
Op grond van artikel 7, eerste lid, onder b, van de Unieburgerrichtlijn heeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt.
Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Unieburgerrichtlijn behouden burgers van de Unie en hun familieleden het verblijfsrecht van de artikelen 7, 12 en 13 zolang zij voldoen
aan de aldaar genoemde voorwaarden. In specifieke gevallen van redelijke twijfel over de vraag, of een burger van de Unie of zijn familieleden wel voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 7, 12 en 13, kunnen de lidstaten zulks verifiëren. De verificatie geschiedt evenwel niet stelselmatig.
Ingevolge het derde lid leidt een beroep van de burger van de Unie of zijn familieleden op het socialebijstandsstelsel van het gastland niet automatisch tot een verwijderingsmaatregel.
4.2
Op grond van artikel 8.12, eerste lid, onder b, van het Vb heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.
Artikel 8.16, eerste lid, van het Vb bepaalt dat, onverminderd de artikelen 8.22 en 8.23, het rechtmatig verblijf niet eindigt zolang de vreemdeling aan de in de artikelen 8.12 tot en met 8.15 genoemde voorwaarden voldoet. In specifieke gevallen van redelijke twijfel kan verweerder onderzoeken of aan de voorwaarden wordt voldaan. Het onderzoek geschiedt niet stelselmatig. Een beroep op de algemene middelen leidt niet zonder meer tot beëindiging van het rechtmatig verblijf.
5.1
Eiser voert in de eerste plaats aan dat prematuur onderzoek is gedaan om te verifiëren of hij voldoet aan de voorwaarden van de Unieburgerrichtlijn. Het enkel veroorzaken van overlast is geen objectieve maatstaf om te kunnen beoordelen of iemand voldoende middelen van bestaan heeft. Ook uit de Unieburgerrichtlijn of uit de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt niet dat overlast reden is voor het instellen van een onderzoek naar voldoende middelen van bestaan.
5.2
Zoals volgt uit artikel 14, tweede lid, van de Unieburgerrichtlijn, omgezet in artikel 8.16, eerste lid, van het Vb, kan verweerder in specifieke gevallen van redelijke twijfel verifiëren of een Unieburger voldoet aan de voorwaarden. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de omstandigheid dat eiser een zwervend bestaan leidt, in samenhang met de aard van de door hem gepleegde overtredingen en misdrijven en de verklaringen die hij hierover aflegt, voldoende aanwijzing vormt voor een onderzoek naar eisers bestaansmiddelen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
6.1
Eiser voert verder aan dat uit pagina 8 en 9 van de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de richtsnoeren) volgt dat het begrip “toereikende bestaansmiddelen” moet worden uitgelegd met inachtneming van het doel van de richtlijn, namelijk het vrij verkeer vergemakkelijken, zonder dat de begunstigden van het verblijfsrecht een onredelijke belasting vormen voor het sociale bijstandsstelsel van het gastland, en dat hij blijkens pagina 9 van de richtsnoeren enkel een belasting vormt voor het socialebijstandsstelsel, indien hij socialebijstandsuitkeringen ontvangt. Nu hij geen uitkering ontvangt en ook geen gebruik maakt van nachtopvang, vormt hij geen belasting voor het socialebijstandsstelsel. Verblijfsbeëindiging bij enkel overlast zou ook strijdig zijn met het doel van de Unieburgerrichtlijn, namelijk het vrije verkeer van personen zolang ze geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland. Eiser verzoekt de rechtbank het Hof van Justitie van de Europese Unie hierover prejudiciële vragen te stellen. Tevens voert eiser aan dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd door niet in te gaan op de door hem reeds in bezwaar aangehaalde passage uit de richtsnoeren.
6.2
Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat deze bepaling in de richtsnoeren enkel geldt voor Unieburgers die niet langer het recht hebben gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven, maar dit recht wel hebben gehad. Nu niet in geschil is dat eiser nooit aan de criteria heeft voldaan om meer dan drie maanden in Nederland te mogen verblijven, acht verweerder deze passage niet op eiser van toepassing. De vraag of eiser het recht heeft om gedurende meer dan drie maanden in Nederland te verblijven, dient in het geval van eiser voor het eerst te worden getoetst. Nu eiser niet aan de voorwaarden voldoet (hij beschikt niet over toereikende bestaansmiddelen en heeft ook geen ziektekostenverzekering) heeft eiser nimmer rechtmatig verblijf verkregen, aldus verweerder.
6.3
De rechtbank stelt voorop dat uit de tekst van artikel 7 van Pro de Unieburgerrichtlijn volgt dat eiser als economisch niet-actieve burger van de Unie alleen dan een recht van verblijf voor langer dan drie maanden heeft, als hij beschikt over toereikende bestaansmiddelen en een verzekering heeft die de ziektekosten volledig dekt. Dat eiser geen inkomen en geen ziektekostenverzekering heeft staat vast. De vraag is of het begrip “toereikende bestaansmiddelen” zo moet worden geïnterpreteerd dat daar alleen dan geen sprake van is indien daadwerkelijk een beroep op het socialebijstandsstelsel van Nederland wordt gedaan, zoals door eiser is bepleit. Vaststaat dat eiser geen uitkering heeft of heeft gehad en ook geen gebruik maakt van de nachtopvang.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn uitleg van het begrip “toereikende bestaansmiddelen” en volgt verweerder in diens uitleg dat de door eiser aangehaalde passage in de richtsnoeren met name betekenis heeft in de situatie dat een Unieburger aanvankelijk wel een recht van verblijf ex artikel 7 heeft Pro gehad, maar vervolgens niet langer voldoet aan het inkomenscriterium. De rechtbank overweegt daartoe dat paragraaf 2.3.1 van de richtsnoeren, welke paragraaf ziet op “toereikende bestaansmiddelen”, aldus is opgebouwd dat voorop wordt gesteld dat EU-burgers over toereikende bestaansmiddelen beschikken wanneer hun middelen het grensbedrag overschrijden dat in het gastland geldt voor de toekenning van het bestaansminimum (p.8). Noch in de tekst van artikel 7 zelf Pro, noch in de richtsnoeren is hier dus gekozen voor een negatief criterium, inhoudende dat de Unieburger geen uitkering van het gastland geniet, maar voor een positief geformuleerde inkomensnorm. Vervolgens wordt op p. 9 van de richtsnoeren de situatie aan de orde gesteld dat de bestaansmiddelen niet
langerals toereikend kunnen worden beschouwd. In die situatie dient te worden getoetst of sprake is van een onredelijke belasting van het socialebijstandsstelsel en moet een evenredigheidstoets worden uitgevoerd, waarbij onder meer- naast diverse andere omstandigheden- een rol kan spelen hoe lang al een uitkering wordt uitbetaald en of de EU- burger in het verleden in het gastland socialezekerheidsbijdragen heeft betaald.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat in een geval als dit, waarbij voor het eerst wordt getoetst of eiser een recht van verblijf op grond van artikel 7 heeft Pro, wel degelijk aan de inkomenseis mag worden getoetst en dat daaraan niet reeds is voldaan als eiser geen uitkering in Nederland geniet. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat als het vereiste van voldoende bestaansmiddelen ook bij de eerste toetsing van het recht om gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven, zo gelezen zou moeten worden dat hier enkel niet aan is voldaan wanneer de Unieburger socialebijstandsuitkeringen ontvangt, dit het middelenvereiste in artikel 7, eerste lid, onder b, van de Unieburgerrichtlijn, waarin positief staat geformuleerd dat de Unieburger over voldoende bestaansmiddelen moet beschikken om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het socialebijstandsstelsel van het gastland, volledig zou uithollen.
6.4
Nu verweerder in het bestreden besluit in het geheel niet is ingegaan op eisers in bezwaar reeds gedane (gemotiveerde) beroep op de richtsnoeren, volgt de rechtbank eiser in zijn stelling dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is gegrond wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet echter gelet op het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
7. Overigens overweegt de rechtbank dat, zoals verweerder in het primaire besluit onbestreden heeft overwogen, eiser evenmin voldoet aan het tweede vereiste van artikel 7, eerste lid, onder b, van de Unieburgerrichtlijn, omdat dat hij niet over een verzekering beschikt die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank :
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.