De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen en het gezag van de vader te schorsen. De moeder lijdt aan chronische schizofrenie met terugkerende psychoses, waardoor zij niet in staat is de verzorging en opvoeding van de minderjarige adequaat op zich te nemen. De minderjarige verblijft sinds 2012 bij pleegouders, die tevens grootouders zijn, en ontwikkelt zich daar positief.
De vader is sinds enige jaren niet betrokken bij de opvoeding en verblijft op een onbekend adres in Egypte. Ondanks pogingen is contact met hem niet mogelijk gebleken, waardoor zijn gezag van rechtswege is geschorst. De moeder betwistte de beëindiging van haar gezag en wenste terug te keren naar de situatie van 2014, maar de rechtbank achtte terugplaatsing binnen een aanvaardbare termijn niet realistisch.
De rechtbank oordeelde dat het belang van de minderjarige bij continuering van het verblijf bij de pleegouders en duidelijkheid over haar toekomstperspectief zwaarder weegt dan het behoud van het gezag van de moeder. Daarom werd het gezag van de moeder beëindigd en het gezag van de vader geschorst. Ter vervanging van het gezag werd de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd, met instemming van pleegouders en moeder.