ECLI:NL:RBDHA:2016:5918

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2016
Publicatiedatum
31 mei 2016
Zaaknummer
15/20271
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.W. Ente
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing uitstel van vertrek op grond van medische situatie afgewezen

Eiser, een Ivoriaanse staatsburger, verzocht op 20 maart 2015 om uitstel van vertrek wegens medische redenen. Verweerder stelde echter dat de aanvraagdatum 17 augustus 2015 is, omdat het volledige formulier toen werd ontvangen. De rechtbank onderschreef dit standpunt op basis van eerdere jurisprudentie.

Het Bureau Medische Advisering bracht op 29 juli 2015 een advies uit waaruit bleek dat eiser lijdt aan PTSS met psychotische klachten, maar dat behandeling in het land van herkomst mogelijk is en reizen onder begeleiding verantwoord is. Verweerder handhaafde het besluit dat geen uitstel wordt verleend, omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van het advies.

Eiser stelde dat terugkeer tot een medische noodsituatie leidt, maar de rechtbank oordeelde dat dit begrip onjuist werd ingevuld en dat het asielrelaas niet geloofwaardig was. Ook het beroep op artikel 3 EVRM Pro faalde, omdat onvoldoende zelfredzaamheid niet leidt tot een verboden situatie.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om geen uitstel van vertrek te verlenen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 15/20271
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 mei 2016 in de zaak tussen
[naam], eiser,
gemachtigde: mr. U.H. Hansma,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. M. Talsma.

Procesverloop

Bij besluit van verweerder van 19 augustus 2015 is besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Bij besluit van 17 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 maart 2016. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak eenmaal verlengd.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] te Ivoorkust en de Ivoriaanse nationaliteit te bezitten.
2. Hij heeft op 20 maart 2015 verzocht om uitstel van vertrek om medische redenen door indiening van het formulier “kennisgeving, aanvraag uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro”. Op grond daarvan stelt hij dat de datum van aanvraag om uitstel van vertrek op 20 maart 2015 moet worden gesteld en niet op de door verweerder gehanteerde datum van 17 augustus 2015.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat als datum moet worden gehanteerd 17 augustus 2015, de dag waarop het ingevulde en op 10 augustus 2015 ondertekende formulier “Aanvraag Uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro” bij verweerder binnen is gekomen.
4. Met betrekking tot de grief van eiser dat verweerder de datum van aanvraag om uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van Pro de Vw ten onrechte niet heeft gesteld op de datum van de kennisgeving van 20 maart 2015, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 4 februari 2016 inzake AWB 15/10334 (ECLI:NL:RBNNE:2016:482). De rechtbank deelt de in deze uitspraak gevolgde redenering (zie rechtsoverwegingen 4 tot en met 7.3) en maakt deze tot de hare. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder onderschrijft dat voorafgaande aan de aanvraag een schriftelijke kennisgevingsprocedure als beschreven in paragraaf A3/7.1, van de Vreemdelingencirculaire 2000 moet worden gevolgd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de juiste datum van aanvraag heeft gehanteerd, daar de complete aanvraag pas op 17 augustus 2015 is ontvangen.
5. Bij nota van 29 juli 2015 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) advies uitgebracht in het kader van artikel 64 van Pro de Vw. Uit dit advies blijkt dat er bij eiser sprake is van medische klachten in de vorm van een PTSS met psychotische klachten en gedragingen. Er doen zich suïcidale ideaties voor zonder dat er nu sprake is van aperte suïcidaliteit, aldus de behandelend psychiater, die een en ander duidt in het kader van een PTSS. Van 7 april 2014 tot 23 mei 2014 is eiser klinisch opgenomen geweest wegens toename van achterdocht en ontremd gedrag. De opname was gericht op vermindering van deze klachten en stabilisering. Sindsdien is eiser ambulant onder behandeling en volgt hij een dagbestedingstraject (driemaal per week), gericht op stabilisering. Daarnaast heeft hij individuele gesprekken in een directief/steunend kader en medicatiecontacten. Een medische noodsituatie op korte termijn kan bij uitblijven van behandeling niet uitgesloten worden. Het BMA acht eiser in staat te reizen, onder de voorwaarde dat eiser tijdens de reis begeleid wordt door een psychiatrisch verpleegkundige vanwege zijn neiging tot dissociatie en agressie. Voorts wordt aanbevolen dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. Fysieke overdracht aan een medische instelling of behandelaar wordt niet noodzakelijk geacht. Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie over de therapiemogelijkheden wordt geconcludeerd dat er in het land van herkomst behandeling door een psychiater aanwezig is in [plaats] (o.a in het CHLI Treichville) en dat de voorgeschreven psychiatrische medicijnen beschikbaar zijn.
6. Verweerder handhaaft bij het bestreden besluit zijn standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die aanknopingspunt zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies.
7. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser een onjuiste invulling geeft aan het begrip ‘medische noodsituatie’ door het ontstaan daarvan te verbinden met de dreigende terugkeer naar zijn land van herkomst en niet aan het staken van de (psychiatrische) behandeling. In Ivoorkust is de benodigde medische behandeling blijkens het BMA-advies voorhanden. Over de gestelde omstandigheid dat eiser terugvalt in zijn uit de PTSS voortvloeiende patroon van dissociëren, volledig decompenseren en psychotisch worden bij (het starten van voorbereidingen voor) gedwongen terugkeer naar zijn land van herkomst door alles wat hij daar heeft meegemaakt, heeft verweerder met recht overwogen dat het asielrelaas van eiser niet geloofd is. Aan de in beroep aangehaalde brieven van zijn behandelaars bij GGZ-Breburg uit 2013 en de in het beroepsschrift aangehaalde brief van GGZ-Breburg van 16 oktober 2015, die volgens eiser al in de bezwaarfase is ingezonden, kan dan ook voorbij worden gegaan, omdat hierin uitgegaan wordt van een oorzakelijk verband tussen de gestelde gebeurtenissen in Ivoorkust en het hierboven beschreven gedrag van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank valt hieruit dan ook niet af te leiden dat de conclusies van het BMA van 29 juli 2015 als zodanig worden betwist. Verweerder mocht dan ook uitgaan van de juistheid van het in deze procedure uitgebrachte BMA-advies.
8. Ook het beroep op artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), inhoudende dat eiser slachtoffer wordt van een vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM door het hierboven beschreven patroon van dissociëren, decompenseren en psychotisch worden niet te doorbreken, faalt op grond van het voorgaande. De stelling dat eiser zich hoe dan ook niet zal redden in zijn land van herkomst wegens onvoldoende zelfredzaamheid, gebaseerd op zijn PTTS, en dat dit leidt tot een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie, moet op dezelfde grond eveneens worden verworpen.
9. Op grond hiervan moet het beroep ongegrond worden verklaard.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van
S.A.K Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2016.
De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.