ECLI:NL:RBDHA:2016:4708

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2016
Publicatiedatum
29 april 2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3326
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35b Successiewet 1956Art. 35c Successiewet 1956Art. 35d Successiewet 1956Art. 35e Successiewet 1956Artikel 3.63 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen toepassing bedrijfsopvolgingsregeling bij verhuur tuinbouwbedrijf na overlijden erflater

Erflater, die een tuinbouwbedrijf exploiteerde in een warenhuis, is in augustus 2010 overleden. Eiser, erfgenaam van erflater, heeft het tuinbouwbedrijf enkele maanden voortgezet en verhuurde het warenhuis vanaf 1 februari 2011 aan een derde partij. Eiser verzocht toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling in zijn aangifte erfbelasting.

De Belastingdienst wees dit verzoek af omdat eiser niet aan het voortzettingsvereiste voldoet. De rechtbank bevestigt dit oordeel en stelt dat het voortzettingsvereiste inhoudt dat de oorspronkelijke onderneming moet worden voortgezet. Verhuur van het warenhuis wordt gezien als het beëindigen van de exploitatie van het tuinbouwbedrijf, waardoor geen winst meer uit de oorspronkelijke onderneming wordt genoten.

De rechtbank verwijst naar de parlementaire geschiedenis waarin is aangegeven dat de bedrijfsopvolgingsregeling niet meebeweegt met de niet-stakingsfictie uit de Wet inkomstenbelasting 2001. Gezien deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling af.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet voldoet aan het voortzettingsvereiste van de bedrijfsopvolgingsregeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 15/3326

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 januari 2016 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats 1], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 4 maart 2014
een aanslag erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 108.774.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, gerepliceerd, waarna verweerder heeft gedupliceerd.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2015.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [persoon A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B] en [persoon C].
De zaak met procedurenummer SGR 15/3327 is met toestemming van partijen gelijktijdig met de zaak van eiser ter zitting behandeld.

Overwegingen

Feiten
1. Op 30 augustus 2010 is [persoon D] (erflater) overleden. Erflater exploiteerde een tuinbouwbedrijf in een warenhuis te [plaats 2] (het warenhuis).
2. Erflater heeft eiser en diens zus tot zijn erfgenamen benoemd.
3. Eiser heeft het tuinbouwbedrijf na het overlijden van erflater enkele maanden voortgezet. Blijkens een huurcontract van 30 januari 2011 heeft eiser met ingang van
1 februari 2011 het warenhuis verhuurd aan een derde (de verhuur).
4. Eiser heeft in zijn aangifte erfbelasting verzocht om toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag de bedrijfsopvolgingsregeling niet toegepast.

Geschil5.In geschil is of eiser recht heeft op toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. Meer specifiek in geschil is of eiser door de verhuur het voortzettingsvereiste heeft geschonden.

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van verhuur van een onderneming, hetgeen niet leidt tot een staking in de zin van de Wet IB 2001. Nu de bedrijfsopvolgingsregeling in beginsel bij de Wet IB 2001 aansluit, is geen sprake is van schending van het voortzettingsvereiste aldus eiser.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de verhuur de oorspronkelijke onderneming van erflater, een tuinbouwbedrijf, niet is voortgezet en dat daarom wel sprake is van schending van het voortzettingsvereiste. De verhuur is volgens verweerder een nieuwe onderneming, zodat eiser niet voor de bedrijfsopvolgingsregeling in aanmerking komt.
Beoordeling van het geschil
8. Ingevolge artikel 35b van de Successiewet 1956 (de SW) kan op verzoek van de verkrijger een voorwaardelijke vrijstelling worden verleend als tot de verkrijging ondernemingsvermogen behoort als bedoeld in artikel 35c, dat wordt verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging als bedoeld in het vijfde lid.
9. Ingevolge artikel 35b, vijfde lid, van de SW wordt onder een bedrijfsopvolging verstaan: een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, van een erflater of schenker die voldoet aan de bezitstermijn als bedoeld in artikel 35d, mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan het voortzettingsvereiste, bedoeld in artikel 35e.
10. Ingevolge artikel 35e, eerste lid, onder a, van de SW voldoet een verkrijger onder meer niet aan het voortzettingsvereiste indien hij binnen vijf jaren ophoudt uit de onderneming, of een gedeelte daarvan, winst te genieten.
11. Tijdens de parlementaire behandeling is ten aanzien van de voortzettingsvereiste onder meer het volgende opgemerkt:
“In beginsel volgt de bedrijfsopvolgingsregeling voor de zogenoemde voortzettingseis het stakings- en vervreemdingsbegrip uit de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit kan anders zijn wanneer de specifieke aard van de bedrijfsopvolgingsregeling daarom vraagt. Indien bijvoorbeeld bij de overdracht van een onderneming gebruik wordt gemaakt van artikel 3.63 Wet IB 2001, wordt de onderneming voor de inkomstenbelasting geacht niet te zijn gestaakt. Deze niet-stakingsfictie werkt niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling. In zoverre bestaat er overigens geen wijziging ten opzichte van de huidige regeling.” (MvT, Kamerstukken II 2008 /09, 31 930, nr. 3, p. 46)
12. Vaststaat dat erflater een tuinbouwbedrijf exploiteerde dat door eiser enkele maanden is voortgezet. Vanaf 1 februari 2011 behaalt eiser geen opbrengsten meer uit de exploitatie van het tuinbouwbedrijf, maar geniet hij uitsluitend huuropbrengsten. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de verhuur ophoudt uit de onderneming winst te genieten zoals bedoeld in artikel 35e, eerste lid, onder a, van de SW, zodat niet aan het voortzettingsvereiste is voldaan. Voor het voortzettingsvereiste gaat het naar het oordeel van de rechtbank om voortzetting van de oorspronkelijke onderneming. De rechtbank acht niet van belang dat eiser met de verhuur van het warenhuis winst uit onderneming geniet. De bedrijfsopvolgingsregeling is terecht niet toegepast.
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.F. Slijpen, voorzitter, mr. S.E. Postema en
mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. B.H. Suijkerbuijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,
2500 EA Den Haag.