ECLI:NL:RBDHA:2016:3966

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2016
Publicatiedatum
13 april 2016
Zaaknummer
09/787045-14 en 09/761014-12 (TUL)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 Wetboek van StrafrechtArt. 239 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs bij ontucht en schending eerbaarheid

De rechtbank Den Haag heeft op 4 februari 2016 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige en het schenden van de eerbaarheid op een niet openbare plaats. Het onderzoek vond plaats in een meervoudige kamer jeugdstrafzaken met gesloten deuren. De officier van justitie heeft tijdens de zitting gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

De tenlastelegging betrof twee feiten: het verrichten van ontuchtige handelingen met een minderjarige door het vastpakken en plaatsen van de hand op het stijve lid van verdachte, en het schenden van de eerbaarheid door zich met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en zich af te trekken in een klaslokaal, terwijl minderjarigen aanwezig waren. De rechtbank heeft op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting geoordeeld dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen.

Daarom is verdachte vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten. Tevens is de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen. Het vonnis is uitgesproken door drie kinderrechters, waarbij één rechter buiten staat was het vonnis te ondertekenen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van ontucht en schending van eerbaarheid.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer 09/787045-14
Tul 09/761014-12
Datum uitspraak: 4 februari 2016

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 4 februari 2016.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. C.P. Zwaanswijk, is verschenen en gehoord.
De officier van justitie mr. C.M. Offers heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken. De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 11 april 2014 te ‘s-Gravenhage met [betrokkene 1] geboren op 3 juli 1999, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het vastpakken van de hand van die [betrokkene 1] en/of (vervolgens) het duwen en/of leggen van de hand van die [betrokkene 1] op zijn, verdachtes, (stijve) penis;
art 247 Wetboek Pro van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks 11 april 2014 te ‘s-Gravenhage de eerbaarheid heeft geschonden op een niet openbare plaats, te weten een klaslokaal van/op [scholengemeenschap] , door zich toen en daar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en/of aan zijn (ontblote) geslachtdeel te zitten en/of zich af te trekken, terwijl (onder meer) [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , daarbij haars/huns ondanks tegenwoordig was/waren;
art 239 ahf Pro/sub 3 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak.

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging afwijzen, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde feit.

Beslissing.

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 28 februari 2013, gewezen onder parketnummer 09/761014-12.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Kramer, kinderrechter, voorzitter,
mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter,
en mr. M.F.M. de Groot, kinderrechter-plv.,
in tegenwoordigheid van mr. C. van Oorschot, griffier.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2016.
Mr. De Groot is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.