Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
elke persoonkunnen worden toegepast, los van enig verzoek om nationale bescherming en die, naar het oordeel van de rechtbank, aldus een zelfstandige grond voor inbewaringstelling vormen. De advocaat-generaal heeft verder in overweging 109 overwogen dat er geen reden is om de toepassing van voornoemd artikel te beperken tot alleen de gevallen waarin de betrokken verzoeker vóór de indiening van zijn verzoek voorwerp van een terugkeerbesluit is geweest. Voor een dergelijke uitleg is geen enkele steun te vinden in de bewoordingen van dat artikel of meer in het algemeen in de opvangrichtlijn. Zij zou ernstig afbreuk kunnen doen aan het nuttig effect van die bepaling, aangezien het vermogen van een lidstaat om op grond daarvan een ernstige aantasting van zijn nationale veiligheid of zijn openbare orde te voorkomen, vóór alles zou afhangen van de voorafgaande vaststelling van een terugkeerbesluit. De bedreiging waaraan de lidstaat mogelijk het hoofd zou moeten bieden, kan ook in de loop van de behandeling van een asielverzoek aan het licht komen, (ruim) voordat een terugkeerbesluit wordt genomen, aldus de advocaat-generaal. In de betreffende voetnoot heeft de advocaat-generaal erop gewezen dat deze uitlegging in die zin consistent is met de beginselen die voortvloeien uit artikel 4, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 72 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), die eerder in het kader van de omschrijving van de toepasselijke bepalingen in herinnering is gebracht.
Beslissing
mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, leden, in aanwezigheid van mr. M.L.F. de Leeuw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.