ECLI:NL:RBDHA:2016:1978
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen DNA-afname bij minderjarige veroordeelde gegrond verklaard
De rechtbank Den Haag behandelde op 26 januari 2016 het bezwaar van een minderjarige veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De veroordeelde was niet aanwezig, maar zijn raadsman wel. De officier van justitie concludeerde tot gegrondverklaring van het bezwaar.
De veroordeelde was op 5 juni 2014 door de kinderrechter veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur wegens mishandeling. Op 13 oktober 2015 werd op bevel van de officier van justitie celmateriaal afgenomen voor DNA-onderzoek. Het DNA-profiel was nog niet bepaald toen het bezwaar werd ingediend.
De rechtbank oordeelde dat het incident een eenmalig karakter had en plaatsvond onder bijzondere persoonlijke omstandigheden, namelijk het overlijden van de vader van de veroordeelde voorafgaand aan het delict. Gezien het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht en het feit dat een volwassen first offender voor een dergelijk feit doorgaans een geldboete zou krijgen, vond de rechtbank opname van het DNA in de databank onwenselijk en niet verenigbaar met het jeugdstrafrecht.
Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond en beval de officier van justitie het celmateriaal terstond te vernietigen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname van de minderjarige veroordeelde is gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.