ECLI:NL:RBDHA:2016:17201
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek voorzieningenrechter kort geding ontruiming bedrijfspand
In deze zaak hebben verzoekers een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzieningenrechter die een kort geding behandelde over de ontruiming van een bedrijfspand wegens huurachterstand. Verzoekers stelden dat de voorzieningenrechter geïrriteerd was, onvoldoende dossierkennis had en geen prijs stelde op hun verweer, waardoor de schijn van partijdigheid was gewekt.
De voorzieningenrechter ontkende de beschuldigingen en gaf aan dat het niet horen van getuigen in kort geding vaste praktijk is. Ook benadrukte zij dat beide partijen uitgebreid aan het woord zijn geweest en dat zij de tijd moest bewaken. De wrakingskamer heeft het verzoek ter zitting behandeld en de argumenten van beide partijen gehoord.
De wrakingskamer oordeelde dat er geen objectieve feiten of omstandigheden zijn die wijzen op vooringenomenheid of partijdigheid van de voorzieningenrechter. Het feit dat verzoekers zich niet gehoord voelden, is onvoldoende voor wraking. Ook het incident met de printer en het korte woord van een derde advocaat zijn geen gronden.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij het indienen van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid.