ECLI:NL:RBDHA:2016:17154
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens twijfel aan terugkeerintentie
Eiser, een Pakistaanse vreemdeling, vroeg op 1 april 2016 een visum kort verblijf aan bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Islamabad om familie te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 20 april 2016 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 18 augustus 2016. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag.
Eiser voerde aan dat hij sterke economische en sociale bindingen met Pakistan heeft, waaronder bezit van onroerend goed en een studie tot imam binnen een moslimgemeenschap. Hij stelde dat zijn familieleden in Nederland asiel hebben aangevraagd, maar dat hij dat niet zal doen. Tevens stelde hij dat hij onterecht niet is gehoord in bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het visum heeft geweigerd op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het EU-grondgebied tijdig zal verlaten. De economische en sociale bindingen zijn onvoldoende, mede gelet op het ontbreken van een gezin en het feit dat familieleden in Nederland asiel hebben aangevraagd. Ook is het horen niet vereist omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf is ongegrond verklaard.