ECLI:NL:RBDHA:2016:1699
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot terugplaatsing tijdens voorwaardelijke beëindiging PIJ-maatregel
De rechtbank Den Haag behandelde een vordering van de officier van justitie tot terugplaatsing van een veroordeelde die een PIJ-maatregel onder voorwaardelijke beëindiging had. De maatregel was opgelegd wegens feiten gepleegd in november 2011 en voorwaardelijk geëindigd op 19 augustus 2015.
De veroordeelde hield zich niet aan de bijzondere voorwaarden, waaronder meldplicht en locatiegebod, en werd op 3 januari 2016 aangehouden en teruggeplaatst in een penitentiaire inrichting. De reclassering adviseerde terugplaatsing voor drie maanden, maar na raadkamerhoorzitting bleek dat de veroordeelde de terugplaatsing als waarschuwing zag en toezegde zich beter aan de voorwaarden te houden.
De rechtbank oordeelde dat de gewijzigde wetgeving per 1 juli 2012 met terugwerkende kracht tot 1 juli 2011 van toepassing is en dat van de veroordeelde verwacht mag worden dat hij zich aan de voorwaarden zal houden. Gezien het vertrouwen van de reclassering en officier van justitie in verbetering van het gedrag, wees de rechtbank de vordering tot terugplaatsing af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot terugplaatsing af en laat de veroordeelde onder voorwaarden in vrijheid.