ECLI:NL:RBDHA:2016:1663
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van verzoek om vrijstelling mvv-vereiste en voorlopige voorziening in vreemdelingenzaken
Verzoekster, een Russische staatsburger, en haar zoon hebben een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier, respectievelijk op grond van humanitaire redenen en familieleven volgens artikel 8 EVRM Pro. Deze aanvragen zijn afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep op de hardheidsclausule van artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 niet kan leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste, omdat de aangevoerde omstandigheden asielgerelateerde gronden betreffen die in een asielprocedure beoordeeld moeten worden. Verzoekster kan haar asielverzoek indienen in Litouwen, het land dat volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is.
De medische situatie van verzoekster is niet recent onderbouwd, waardoor deze niet in de beoordeling is betrokken. De voorzieningenrechter verklaart de bezwaren ongegrond en wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en hoger beroep is uitgesloten.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening en de bezwaren tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning worden afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en het ontbreken van een vrijstelling op grond van de hardheidsclausule.