Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
V-nummer: [nummer]
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Georgische nationaliteit bezittende persoon, diende in april 2016 een asielaanvraag in. Hij stelde dat hij in Georgië was mishandeld door voormalige oorlogsmisdadigers die hoge functies bekleden en dat hij daarom bescherming zocht in Nederland. De staatssecretaris wees de aanvraag af vanwege ongeloofwaardigheid van het relaas, onder meer omdat de verklaringen van eiser afweken van eerdere verklaringen, onvoldoende onderbouwd waren en onwaarschijnlijke elementen bevatten.
Eiser stelde in beroep dat zijn verklaringen uitgebreid en consistent waren en dat de situatie in Georgië zijn verhaal ondersteunde. Ook betoogde hij dat verweerder ten onrechte geen medisch onderzoek had laten verrichten en dat het opgelegde inreisverbod ongeldig was. De rechtbank oordeelde echter dat de verklaringen onvoldoende aannemelijk waren, dat er geen medische gronden waren voor uitstel van vertrek en dat het inreisverbod rechtsgeldig was.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het de afwijzing van de asielaanvraag en het inreisverbod. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod gehandhaafd.