ECLI:NL:RBDHA:2016:14108
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens kennelijke ongegrondheid op economische gronden
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit, diende op 20 oktober 2016 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, met als grondslag het willen werken in Nederland om zijn familie te onderhouden.
De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vreemdelingenwet 2000, omdat alleen economische motieven aan de aanvraag ten grondslag lagen en Marokko als veilig land van herkomst is aangemerkt.
Eiser voerde aan dat Marokko ten onrechte als veilig land van herkomst is aangemerkt en dat het opgelegde inreisverbod niet gehandhaafd kan blijven. De rechtbank oordeelde echter dat de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen, dat de vertrektermijn terecht is onthouden en dat het inreisverbod van twee jaar terecht is opgelegd.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen.