ECLI:NL:RBDHA:2016:14103
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- R.J. Paris
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst na langdurige arbeidsongeschiktheid
Verzoekster, sinds 2013 arbeidsongeschikt en sinds oktober 2015 volledig arbeidsongeschikt met een WGA-uitkering, verzocht de kantonrechter om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met Stichting MEE Zuid-Holland Noord. Zij stelde dat de werkgever de arbeidsovereenkomst slapend hield om betaling van een transitievergoeding te vermijden, wat volgens haar een toerekenbare tekortkoming en strijd met goed werkgeverschap inhoudt.
De werkgever stelde dat het voortzetten van de arbeidsovereenkomst niet alleen was ingegeven door het vermijden van de transitievergoeding, maar ook door de verwachting van mogelijke re-integratie op langere termijn en het ontbreken van passend werk. De kantonrechter overwoog dat de enkele uitspraak van de minister dat het onfatsoenlijk is om een arbeidsovereenkomst slapend te houden enkel om een transitievergoeding te vermijden, niet automatisch een toerekenbare tekortkoming betekent.
De kantonrechter benadrukte dat artikel 7:669 lid 1 BW Pro de werkgever een bevoegdheid geeft om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar niet verplicht. Gezien de omstandigheden en de verplichtingen die de werkgever behoudt, is het voortzetten van het dienstverband niet onredelijk. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot ontbinding af en veroordeelde verzoekster in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen omdat de werkgever niet onredelijk handelt door het dienstverband slapend te laten voortbestaan.