ECLI:NL:RBDHA:2016:13543

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 september 2016
Publicatiedatum
11 november 2016
Zaaknummer
C/09/506676 / FA RK 16-1702
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:413 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verklaring rechtsvermoeden overlijden wegens onvoldoende bewijs overlijden vermiste

Verzoekster heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot verklaring van rechtsvermoeden van overlijden van haar echtgenoot, die sinds 19 januari 2014 vermist is. De vermiste heeft die dag boodschappen gedaan en is sindsdien onvindbaar, ondanks zoekacties van politie, familie en reddingshonden. De fiets van de vermiste werd gevonden bij een strandopgang, en er is geen teken van leven meer ontvangen.

De rechtbank heeft beoordeeld of de wettelijke termijn van vijf jaar voor het aannemen van het rechtsvermoeden van overlijden kan worden verkort tot één jaar, omdat de omstandigheden de dood van de vermiste waarschijnlijk zouden maken. Verzoekster stelde dat de vermissing alleen door overlijden kan worden verklaard, mede omdat de vermiste zijn familie zonder bericht heeft verlaten, wat niet bij hem past.

De rechtbank oordeelt echter dat niet is komen vast te staan dat de dood van de vermiste waarschijnlijk is. Hoewel overlijden een mogelijke verklaring is, kan niet worden uitgesloten dat de vermiste nog in leven is. De verkorting van de termijn wordt daarom niet toegestaan. Ook het verzoek om kosten ten laste van het vermogen van de vermiste te brengen wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot verklaring van rechtsvermoeden van overlijden wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs voor verkorting van de termijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 16-1702
Zaaknummer: C/09/506676
Datum beschikking: 7 september 2016

Verklaring rechtsvermoeden van overlijden

Beschikking op het op 3 maart 2016 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. R.J. Bouwmeester te Noordwijk,
betreffende de vermissing van:
[naam vermiste], geboren op [geboortedatum] te [plaats] (hierna: de vermiste).
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[naam dochter] ,

dochter van de vermiste,
wonende te [plaats] .

[naam zoon] ,

zoon van de vermiste,
wonende te [plaats] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief met bijlagen d.d. 7 april 2016 van de zijde van verzoekster;
- de brief met bijlagen d.d. 2 mei 2016 van de zijde van verzoekster;
- de schriftelijke conclusie van de officier van justitie d.d. 29 juni 2016.
Op 9 augustus 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld door mr. S.M. Westerhuis-Evers, rechter-commissaris. Hierbij zijn verschenen:
  • verzoekster en haar advocaat;
  • de dochter van de vermiste;
  • de zoon van de vermiste en zijn echtgenote mevrouw [naam echtgenote] .

Verzoek

Het verzoekschrift strekt ertoe:
  • dat de rechtbank zal gelasten de vermiste op te roepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken, en, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat;
  • dat de kosten die verzoekster heeft moeten maken ten laste worden gebracht van het vermogen van de vermiste.
De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven dat zij in deze zaak vooralsnog geen rol weggelegd ziet voor het Openbaar Ministerie.

Beoordeling

Artikel 1:413 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat, indien het bestaan van een persoon onzeker is en de in het tweede lid aangegeven tijdruimte is verlopen, belanghebbenden de rechtbank kunnen verzoeken dat zij hun zal gelasten de vermiste op te roepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken, en dat zij, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat.
Artikel 1:413 lid 2 sub a BW Pro bepaalt dat de in het eerste lid genoemde tijdruimte, te rekenen van het vertrek van de vermiste of de laatste tijding van zijn leven, vijf jaren beloopt. Ingevolge sub b wordt deze termijn verkort tot een jaar indien de betrokkene gedurende die periode wordt vermist en de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken. Hiervan kan sprake zijn als de vermissing uit niets anders verklaard kan worden dan het overlijden van de vermiste. Tevens kan hiervan sprake zijn wanneer de vermissing verband houdt met oorlogsomstandigheden, een natuurramp of een andere ramp, een scheepsongeval of vliegtuigongeval.
Nu de hierboven aangegeven tijdruimte van vijf jaren nog niet is verstreken, staat thans eerst ter beoordeling of er aanleiding is om voormelde termijn te verkorten tot één jaar. Daartoe dient te worden bezien of er sprake is van omstandigheden die de dood van de vermiste waarschijnlijk maken.
Verzoekster heeft in dit verband, verkort weergegeven, het volgende gesteld. De vermiste, haar echtgenoot, heeft op 19 januari 2014 in [plaats] boodschappen gedaan voor het avondeten. Rond 15.00 uur heeft de vermiste geprobeerd verzoekster telefonisch te bereiken. Dit is niet gelukt. Toen verzoekster om 15.15 uur thuis kwam was de vermiste niet thuis; zijn fiets stond niet in de schuur. Omstreeks 20.30 uur is de politie ingelicht over de vermissing en is er een zoektocht gestart. De volgende dag bleek dat de vermiste op 19 januari 2014 omstreeks 23.00 uur heeft gepind in [plaats] . Op 27 januari 2014 is de fiets van vermiste gevonden bij een strandopgang in [plaats] . Ondanks diverse zoektochten van – onder meer – de familie, de politie en de Stichting Reddingshonden, alsmede aandacht voor de vermissing in diverse media is er sinds 19 januari 2014 geen enkel teken van leven van de vermiste vernomen.
Ter terechtzitting heeft verzoekster hieraan toegevoegd dat de vermiste zijn familie heeft verlaten zonder enig bericht achter te laten, hetgeen volgens haar niet past bij de persoon van de vermiste zoals zij hem kende. Volgens haar kan de vermissing daarom uit niets anders verklaard worden dan door het overlijden van de vermiste.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van omstandigheden die de dood van de vermiste waarschijnlijk maken in de zin van voormeld artikel. De rechtbank stelt hierbij voorop dat een beroep op de verkorting van de termijn van vijf jaren slechts in beperkte gevallen moet worden toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat de vermissing weliswaar zou kunnen worden toegeschreven aan het overlijden van de vermiste, maar dat een ander scenario, waarbij de vermiste nog in leven is, gezien de omstandigheden zoals deze uit de stukken en ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, niet kan worden uitgesloten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep van verzoekster op artikel 413 lid 2 sub b BW Pro niet slaagt zodat haar verzoek zal worden afgewezen. Het verzoek ten aanzien van de gemaakte kosten wordt hierom ook afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.G. de Boer, J.C. Sluymer en S.M. Westerhuis-Evers, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 september 2016.