ECLI:NL:RBDHA:2016:13514

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juni 2016
Publicatiedatum
11 november 2016
Zaaknummer
AWB 16/1035
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 24 Vreemdelingenwet 2000Art. 9 associatieovereenkomst EU-Turkije
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet betalen leges bij aanvraag verblijfsvergunning

Eiseres diende op 29 januari 2015 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier op basis van het EU-Turkije associatieverdrag. Verweerder nodigde haar uit om op 17 maart 2015 haar aanvraag in te dienen en de vereiste leges te betalen. Eiseres verscheen niet op deze afspraak en betaalde de leges niet.

Verweerder stelde de aanvraag bij besluit van 26 juni 2015 buiten behandeling wegens het niet voldoen van de leges. Eiseres maakte bezwaar, dat niet-ontvankelijk werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in tegen het buitenbehandelingsstellingbesluit.

De rechtbank oordeelde dat verweerder op grond van artikel 4:5 Awb Pro en artikel 24 Vreemdelingenwet Pro 2000 bevoegd en verplicht was de aanvraag niet te behandelen vanwege het niet betalen van de leges. De klacht over de hoogte van de leges kon niet tot behandeling leiden zonder eerst betaling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiseres de vereiste leges niet heeft betaald en de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/1035

proces-verbaal van de mondeling uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres],

Geboren op [geboortedatum],
v-nummer: [nummer]
Van Turkse nationaliteit,
eiseres,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 29 januari 2015 niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 13 januari 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2016. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. drs. J.P.M. Wuite.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 29 januari 2015 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in verband met het verdrag tussen de Europese Unie en Turkije. Eiseres is vervolgens bij brief van verweerder van 25 februari 2015 uitgenodigd om op 17 maart 2015 bij het loket haar aanvraag in te dienen en de voor de aanvraag vereiste leges te betalen. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat indien eiseres niet op de afspraak verschijnt, zij geen aanvraag voor een verblijfsvergunning kan indienen en dat indien zij de vereiste leges niet betaalt, verweerder de aanvraag niet in behandeling neemt. Eiseres is zonder opgave van redenen niet verschenen op deze afspraak. Verweerder geeft te kennen, hetgeen niet door eiseres wordt betwist, dat eiseres op die afspraak zonder opgaaf van redenen niet is verschenen en de verschuldigde leges niet heeft betaald.
2. Bij besluit van 26 juni 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiseres buiten
behandeling gesteld omdat eiseres de voor het in behandeling nemen van de aanvraag vereiste leges niet heeft betaald. Gelet hierop, zo overweegt verweerder, heeft eiser niet voldaan aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van een aanvraag.
Eiseres heeft aangevoerd dat de hoogte van de gevorderde leges in strijd is met het algemene non-discriminatiebepaling in artikel 9 van Pro de associatieovereenkomst. Zij verwijst daarvoor naar een arrest van het Hof van Justitie van 29 april 2010, rechtsoverwegingen 75 en 76.
3. Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt, voor zover hier van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
Artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) bepaalt, voor zover van belang, dat de vreemdeling leges verschuldigd is voor de afdoening van de aanvraag. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.
Artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 wijkt in zoverre af van artikel 4:5 van Pro de Awb dat, indien betaling van de voor afdoening van de aanvraag verschuldigde leges achterwege blijft, verweerder niet slechts de bevoegdheid toekomt de aanvraag niet te behandelen, maar dat hij daartoe ook is gehouden.
Niet wordt door eiser bestreden dat hij de voor de onderhavige aanvraag vereiste leges niet heeft voldaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder derhalve op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb bevoegd, en op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 verplicht, om de aanvraag van eiser buiten behandeling te stellen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook op goede gronden kunnen besluiten de aanvraag van eiser niet te behandelen.
Ten aanzien van de hoogte van de leges had eiseres in beroep kunnen gaan. Eiseres had dan echter wel eerst de verschuldigde leges moeten voldoen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 21 juni 2016.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.