ECLI:NL:RBDHA:2016:12234
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening
Eisers, Afghaanse staatsburgers, dienden op 15 januari 2016 asielaanvragen in Nederland in. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie besloot op 7 september 2016 deze aanvragen niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eisers stelden dat de procedure tot vaststelling van deze verantwoordelijkheid onevenredig lang duurde en verweerder onvoldoende voortvarend handelde.
De rechtbank oordeelde dat de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek op basis van artikel 18 van Pro de Dublinverordening uiteindelijk hebben geaccepteerd en dat verweerder terecht mocht uitgaan van de resultaten van het Duitse onderzoek. Er was geen aanleiding voor nader onderzoek of voor het aanhouden van de procedure. Ook werd geoordeeld dat de medische zorg in Duitsland vergelijkbaar is met die in Nederland en dat verweerder terecht geen inhoudelijke behandeling van de asielaanvragen aan zich heeft getrokken.
De beroepen werden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening werden afgewezen. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin werd geoordeeld dat de procedure niet onredelijk lang heeft geduurd. Eisers konden binnen een week na verzending van het vonnis hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen.